Ik loop door de heuvels;
Ik slinger door de bergen.
Ik spring over rivieren
en kruip door het woud.
Als je een voet buiten de deur zet,
kun je mij betrappen.
Wat ben ik?
In mij vinden de avonturiers
Speurtochten en schatten van elke soort.
Trollen, kabouters, feeën en meer, kun
je tussen mijn muren verwachten.
Aan allen die mij willen bezoeken:
Je handen zijn de sleutels
En je geest zal de deur ontsluiten.
Wat ben ik?
Twee lichamen heb ik,
In het midden verbonden.
Hoe beter ik stilsta,
hoe sneller ik loop.
Wat ben ik?
Je zult er vele van mij krijgen, maar toch nooit genoeg.
Als de laatste heen is, is iedereen droef.
Je krijgt mij maar een keer per jaar,
Als de laatste verbruikt is, ben je de sigaar.
Wat ben ik?
Ik verzwak je, als het erg slecht uitkomt.
Ik bescherm je, houd je weg van gevaar.
Ik laat je handen zweten en je hart overslaan,
Ik val de zwakkeren lastig, de dapperen nooit.
Wat ben ik?
Ik maak iedereen urenlang slap.
Ik toon vreemde beelden, gewoon voor de grap.
Ik kom alleen 's nachts, overdag blijf ik weg,
Ik kom weer vanavond, let op wat ik zeg.
Wat ben ik?
We hebben geen vlees, en ook geen veren.
Geen schubben, en geen pluimen.
Toch hebben we vingers en duimen,
voor dames en ook voor heren.
Wat zijn wij?
Hij die mij maakt, wil mij niet hebben,
Hij die mij koopt, heeft mij niet nodig,
Hij die mij gebruikt, weet het niet.
Wat ben ik?
Vier broers bewonen de aarde, die tegelijk zijn geboren:
De eerste loopt, maar wordt nooit moe,
De tweede vreet, maar heeft nooit genoeg.
De derde drinkt, maar heeft toch nog dorst,
De vierde zingt, maar nooit uit volle borst.
Wie zijn zij?
Hij heeft een voet die nooit iemand ziet.
Is hoger dan de hoogste boom,
hoger en hoger, zoals in een droom,
en toch groeit hij niet.
Wie is dat?
Dertig witte paarden op een rode heuvel,
Eerst schampen ze,
dan stampen ze,
dan staan ze stil.
Wat zijn zij?
Je kunt het niet zien, je kunt het niet voelen,
Je kunt het niet horen, je kunt het niet ruiken.
Het is in de ruimte en onder het zand,
het vult lege kruiken tot aan de rand.
Daarmee eindigt het leven, daarmee eindigt de dag.
Daarmee eindigt het geven, daarmee eindigt de lach.
Wat ben ik?
Het gaat voor de zon langs en werpt toch geen schaduw.
Wat is het?
Ik draai almaar rond,
toch ga ik rechtuit.
Ik houd steeds mijn mond,
al piep ik soms luid.
Wat ben ik?
Met mijn buik vol balen,
bomen op mijn rug,
spijkers in mijn ribben,
kom ik steeds weer terug.
Wat ben ik?
Altijd heb ik honger,
mijn eetlust is groot,
Als ik aan je vinger lik
wordt hij heel rood.
Wat ben ik?
In een groot blauw paleis
woont een schone dame.
Ze bloost in de ochtend
en komt 's avonds niet buiten.
Wie is zij?
Ik heb wel poten, maar loop niet
Een stevige rug, maar werk niet.
Twee flinke armen, maar til niet.
Ik besta om te zitten, en meer niet.
Wat ben ik?
Het begin van het einde,
Het eind van de ruimte,
Het begin van de eeuwigheid.
Wat ben ik?
Rovers zijn daar toen gekomen.
Ze zijn om ons huis heen gaan staan.
Het huis sprong gewoon uit het raam.
Maar wij werden wel meegenomen.
Wat ben ik?
Hoewel ik dans op het bal, ben ik toch niemendal.
Wat ben ik?
Op de weg naar Henegouwen,
Kwam ik een man tegen met zeven vrouwen.
Elke vrouw die droeg een zak,
In elke zak daar zat een kat,
En elke kat had zeven jongen.
Jongen, katten, zakken, vrouwen,
Hoevelen gingen nu naar Henegouwen?
Wie mij ziet, die ben ik;
Wie ben ik?
Wat is het dat ik kan zien,
jij kunt zien, maar god nooit
Wat is het?
Als je lepel omkeert krijg je weer lepel; keer nog
eens om en je krijgt een verkorte meisjesnaam.
Hoe kan dat?
Ik laat gemakkelijk over me heen lopen,
Maar voel toch altijd nattigheid.
En hoewel men mij vaak de rug toekeerd,
Duurt dat doorgaans niet al te lange tijd.
Wat ben ik?